Geef God de schuld (12)

Waarom? (2)
“Waarom ben je in woede ontstoken en waarom heb je jouw hoofd laten zakken?” (Genesis 4:6) God wacht niet op het antwoord, maar stelt er een vraag achteraan: “Is het niet zo dat je, als je het goede doet, jouw hoofd kunt opheffen?” (Genesis 4:7). Die vraag is bijzonder omdat hij van God komt. Dat maakt hem retorisch. Dat wil zeggen dat het een vraag is waar het antwoord al in zit. Je weet dat als je nu antwoordt dat dat niet zo is, je het pleit gaat verliezen. Dus als je God zou antwoorden “Nee, ook als ik het goede doe is er reden om boos te zijn”, dan ga je het van God niet winnen op dit punt. Deze vraag is eigenlijk geen vraag maar onderwijs. “Kaïn, als jij het goede doet, kun je je hoofd opheffen.” Als je het goede doet (offer brengen) kun je rechtop gaan, ben je niet afhankelijk van mijn aandacht, laat staan de goedkeuring of het applaus van medemensen. Aangezien je boos wordt als je geen aandacht krijgt voor jouw offer doe je er goed aan jezelf eens onder de loep te nemen. Waar doe jij de dingen voor? Omdat je ze goed vindt om te doen of om goedkeuring en waardering te krijgen? God legt dus blijkbaar de waarde van de daad in de intentie van de dader. Maar hij zegt daarmee geenszins dat het fout is om dingen te doen voor de aandacht. Het gaat om de vraag of het goed is om te doen. Dus: Waarom is Kaïn boos?








